Schoon schip maken

Odette is al gaan liggen wanneer wij in Oostende aankomen. De voorstelling is gedaan. We zijn te laat. Op het strand zoeken jutters naar wat van hun gading is. Ramptoeristen maken foto’s als bewijs voor de sterke verhalen die ze straks gaan vertellen.

Odette is te keer gegaan en heeft het strand verplaatst naar de Albert I Promenade. Waar het strand lag heeft ze een nieuw duinenlandschap geschapen. Alleen de daken van de strandcabines steken nog boven de duintoppen uit. Door het wegslaan van het strand zijn er steile kliffen ontstaan. Vergeleken met die aan de overkant zijn het kleuterkliffen, maar kliffen zijn het.

De strandstoelen en hemelbedden van strandpaviljoen Lydo zijn op één grote hoop gewaaid. Een gigantische brandstapel, wachtend om aangestoken te worden. Een dertigtal palmbomen in reusachtige betonnen potten hebben Odette weerstaan. Dicht tegen elkaar en diep ingegraven hielden ze stand. Eendracht maakt macht. We maken foto’s van het slagveld.

Twee weken geleden dronken we bij Lydo nog een verkoelend Antwerps Bolleke. We spraken de eigenaar die in een vertrouwelijke bui zijn leed over het slechte seizoen met ons deelde. Odette was nog niet geboren.

Wanneer we teruglopen over de promenade zien we de eigenaar van het Lydo het strand oplopen. Hij zeult een grote benzinejerrycan richting strandstoelen en hemelbedden. Hij kijkt niet op en om en loopt recht op zijn doel af. Iedereen weet dat het niet altijd schepen zijn die je achter je verbrandt.

Mevrouw Kaag

Mevrouw Kaag had met een Noord-Koreaanse uitslag (95% van de stemmen) de lijsttrekkersverkiezing van haar partij gewonnen. Om de schijn van een echte verkiezing op te houden had D66 in China een onbekende fopspeen opgeduikeld die bereid was geweest de tegenkandidaat te spelen.

Op het D66-Volkscongres werd de verkiezingsuitslag bekend gemaakt. Nadat Rob Jetten door de dagvoorzitter met een bosje bloemen van het podium was gebonjourd (Bedankt Rob, goed gedaan man!) betrad mevrouw Kaag het toneel. Zij mocht de lijst gaan trekken, dan wel de kar duwen; bij links-liberalen is nooit te voorspellen hoe ze bewegen. 

Ik had geen helder beeld van mevrouw Kaag. Ze was al enige tijd minister, maar een minister met Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking in haar portefeuille verlies je snel uit het oog. Kortgeleden was ze in het land en schoof aan bij Buitenhof. Ik was perplex. Wat een beschaving, wat een gratie, wat een niveau! 

Met haar verschijning bij Buitenhof declasseerde mevrouw Kaag de Tweede Kamer tot een rovershol vol barbaars straattuig (met uitzondering van Kees van de Staaij en mevrouw Arib natuurlijk).

Ze vertelde tegen Pieter Jan Hagens over haar ambities: D66 de grootste partij maken en dan als eerste vrouwelijke minister-president samen met haar kabinet + koning op het bordes.

Beschaafd en vol overtuiging onthulde ze wat ze nog meer in haar glazen bol zag. Jawel: verbinding! Nederland moest één gelukkige familie worden. Weg met dat politiek gedram. Gewoon 2 keer per week met de fractieleiders koffiedrinken in het Torentje. Plooien gladstrijken en afkaarten. Alleen de PVV en FvD mochten niet meedoen aan het verbinden. Dat begrijpen de mensen wel, zei ze. Ook dienden de omgangsvormen in Nederland te worden bijgeschaafd. De toon vond ze echt te grof. 

Ik geloof in haar, zei ik tegen mijn vriendin. Mevrouw Kaag wordt onze eerste vrouwelijke minister-president en misschien wordt ze nog veel meer. Eerste vrouwelijke paus? President van Europa? Koningin van het Beloofde Palestijnse Land? De wereld ligt open voor haar.

’s Avonds overdacht ik de uitzending van Buitenhof en bij het tweede glas wijn begon er iets te knagen. Had ik iets gemist, iets over het hoofd gezien? Bij het derde glas borrelde het op: bescheidenheid! Geen spoortje van, geen zweempje. De enige bescheidenheid zat in haar  make-up, met dank aan de NPO-visagiste.

Elise van Calcar had gelijk toen ze ooit schreef: Bescheidenheid is de kroon der beschaving. Zonder bescheidenheid is beschaving een dun laagje vernis. En mevrouw Kaag kale kak.

Zoeken

‘Schat Waar liggen de eierlepeltjes?’

‘In de la.’

‘Welke la?’

‘De rechter la.’

‘Er is geen rechter la.’

‘Dan in de linker, lieverd.’

‘Er is ook geen linker, er is helemaal geen la.’

‘Nou dan zijn er ook geen eierlepeltjes.’

Alles is anders. Rustgevende gewoontes zijn weggevallen. Niets is vanzelfsprekend. Leven in Oostende is zoeken, nog meer dan thuis.

Een man mag niet huilen

Mannen huilden niet. En wanneer we toch huilden, huilden we heel kort, stiekem in een stil hoekje, alleen met ons mannenverdriet. Vervolgens droogden we de traan en gingen er weer tegenaan. Zo waren wij, echte mannen.

Toen kwam Jacques Herb. Jacques was anders. Geen kerel uit één stuk, maar een gevoelige jongen met een snik. Hij zong: ‘Een man mag niet huilen’. In 1972 stond hij twee maanden lang in de top-10. Jacques Herb veranderde de mannenwereld. De huilende man maakte zijn entree en eiste zijn plaats op. 

Sindsdien huilen mannen open en bloot zoals alle andere huilers. Ze huilen bij het verlies van een moeder of vader, van een partner, hond, kat, motor, voetbalwedstrijd of theeserviesje. Ze huilen bij pech, ze huilen van geluk, ze huilen om hun zin te krijgen of om hun straf te ontlopen. 

Vorige week huilde minister van Justitie Ferdinand Grapperhaus in de Tweede Kamer. Hij had tijdens zijn bruiloft de Corona-regels overtreden en werd ter verantwoording geroepen. Hij ontkende, verdraaide, bekende, bagatelliseerde, betuigde spijt, ging door het stof, dieper door het stof en als apotheose huilde hij. Ferd mocht blijven.

Ik kon wel janken.