Zorgplicht

Een zorgverlener die mij enkele keren per jaar zorg verleent heeft 3 vrouwen, 2 zonen, 2 dochters, een huis aan een bosrand en een chalet in Zwitserland. Een rijk bezit waarvan de onderhoudskosten echter geraken aan de grenzen van zijn financiƫle draagvermogen. Zijn vrouwen hebben hem successievelijk verlaten, maar houden hem aan zijn zorgplicht. De kinderen vragen om een schenking bij leven voor hun eerste huis, een buitenkansje pa! Het onroerend goed aan de bosrand schreeuwt om grootonderhoud en het chalet, inmiddels categorie opknapper, staat al drie jaar te koop aan een troosteloze piste waar geen vlokje sneeuw meer wil vallen.

Hij vertelt me dit achteloos tijdens de behandeling die ik onderga. We kennen elkaar al langere tijd en de behandeling is routine, er is ruimte voor een persoonlijk gesprek. Wanneer hij zijn zorg heeft verleend vraag ik: ‘Hoe lang werk je nog door?’

‘Nog 7 jaar’, zegt hij, ‘dan ben ik 77 en 50 jaar in het vak. Dat lijkt me een mooi moment om te stoppen. Ik kan mijn werk eigenlijk niet missen.’

Hij oogt vermoeid. Ik wil hem graag geloven en zeg dat ik het ook een mooi moment vind.

Later

Dat zien we later wel, zegt mijn vriendin. We hebben het over de muur in de woonkamer die geschilderd moet worden. Wit, beige of grijs, dat zijn de opties.

Ik vind later een nikswoord, het is te vaag. Hoeveel later hebben we nog om te zien of de muur wit, beige of grijs moet worden. Als het even tegenzit is er geen later en valt er niks meer te schilderen. Later camoufleert besluiteloosheid. Ze had ook kunnen zeggen: ‘Over een uur laat ik je weten of de muur wit, grijs of beige wordt, of over veertien dagen, bij volle maan of nog liever: met Sint Juttemis.

Ze noemt datum noch tijd, de kleur van de muur blijft onbepaald. Het woord later moet verboden worden. Alleen wie er ‘als ik oud ben’ aan kan plakken, mag het nog gebruiken.

Storm

Vanavond gaat het stormen. Het weermeisje voorspelt windkracht 12 aan zee. Ik ben aan zee.

Vroeger kon ik niet slapen wanneer het stormde. Ik stopte watten in mijn oren. Toch hoorde ik de pannen schuiven op het dak. Ik zette emmers klaar wanneer er regen werd verwacht en sliep bij noodweer in pyjama, je weet maar nooit.

Hier aan zee heb ik geen pannen op het dak, ik heb zelfs geen dak, dat dak heeft de bovenbuurman. Hier aan zee luister ik naar de wind als naar de radio.

Vanavond bij windkracht 12 waait Only the lonely van Roy Orbison. Ik neurie even mee en val in slaap, zonder pyjama.

Beschaving

Er zit een man in de rechtszaal. Hij heeft vier mensen doodgeschoten in een tram en vijf verwond. De officier van justitie leest de beschuldiging voor en de man lacht. Tegen de rechter steekt hij een middelvinger op, hij bespuugt zijn advocaat en bespot de nabestaanden van zijn slachtoffers.

Ik ben een toeschouwer op afstand, ik hoor de nieuwslezer en zie de aanklager en de rechter. De verdachte komt niet in beeld, want hij heeft recht op zijn privacy.

Wat ik zie en hoor maakt me kwaad. Er is geen spijt of excuus, dat verbaast me niet, maar ook een motief kan of wil de man niet geven. Er is geen enkele verantwoording en daarmee wordt het bestaan van de man voor mij even zinloos als zijn daad. Zou ik eiser zijn, ik zou de doodstraf eisen.

Ik zit echter thuis voor de tv en heb niets te eisen, zeker niet de doodstraf, want die is in 1870 afgeschaft. Een beschaafde samenleving kan wel zonder, moet men toen gedacht hebben.

Na de Tweede Wereldoorlog werd ons land even minder beschaafd. De volkswoede jegens de bezetter en collaborerende landgenoten was zo groot dat de verontwaardiging van het volk gekanaliseerd moest worden. 37 personen werden terechtgesteld. Daarna werden we weer beschaafd. 

In de rechtszaal eist de officier van justitie een levenslange gevangenisstraf. Meer heeft hij niet achter de hand. De gruwelijke daad van de verdachte is blijkbaar niet gruwelijk genoeg om een brede volkswoede op te roepen die gekanaliseerd moet worden door herinvoering van de doodsstraf. We blijven een beschaafd land, vooralsnog.