Er zit een man in de rechtszaal. Hij heeft vier mensen doodgeschoten in een tram en vijf verwond. De officier van justitie leest de beschuldiging voor en de man lacht. Tegen de rechter steekt hij een middelvinger op, hij bespuugt zijn advocaat en bespot de nabestaanden van zijn slachtoffers.

Ik ben een toeschouwer op afstand, ik hoor de nieuwslezer en zie de aanklager en de rechter. De verdachte komt niet in beeld, want hij heeft recht op zijn privacy.

Wat ik zie en hoor maakt me kwaad. Er is geen spijt of excuus, dat verbaast me niet, maar ook een motief kan of wil de man niet geven. Er is geen enkele verantwoording en daarmee wordt het bestaan van de man voor mij even zinloos als zijn daad. Zou ik eiser zijn, ik zou de doodstraf eisen.

Ik zit echter thuis voor de tv en heb niets te eisen, zeker niet de doodstraf, want die is in 1870 afgeschaft. Een beschaafde samenleving kan wel zonder, moet men toen gedacht hebben.

Na de Tweede Wereldoorlog werd ons land even minder beschaafd. De volkswoede jegens de bezetter en collaborerende landgenoten was zo groot dat de verontwaardiging van het volk gekanaliseerd moest worden. 37 personen werden terechtgesteld. Daarna werden we weer beschaafd. 

In de rechtszaal eist de officier van justitie een levenslange gevangenisstraf. Meer heeft hij niet achter de hand. De gruwelijke daad van de verdachte is blijkbaar niet gruwelijk genoeg om een brede volkswoede op te roepen die gekanaliseerd moet worden door herinvoering van de doodsstraf. We blijven een beschaafd land, vooralsnog.