Leer mij ze kennen

‘Je bent niet interessant genoeg Frans.’

‘Hoezo, wat bedoel je met niet interessant genoeg?’

‘Nou, zoals ik zei: je roept geen spanning op, je bent een open boek. Een boek met een grijze kaft waar je na hoofdstuk 1 al weet hoe het afloopt. Je hebt geen verborgen kantjes waar ze naar op zoek kunnen. Aan Frans valt niets te ontdekken, wat je ziet is wat je krijgt, hoor ik ze zeggen.’

‘Tja, maar ik ben wel mooi in balans, twee benen op de grond, degelijk, eerlijk en betrouwbaar en heb een redelijk inkomen, dat is ook interessant.’

‘Ja, dat mag wel zo zijn en dat is mooi meegenomen, maar daar zitten ze niet op te wachten, daar zijn ze helemaal niet naar op zoek man. Ze zoeken spanning, de geheimzinnige man met de cape. Geen zomerhuisje op de Veluwe, maar een appartementje in Casablanca, dat soort dingen, snap je. Fantaseer je leven bij elkaar en leg vooral niet meteen je simpele ziel en degelijke zaligheid op tafel. Bedachtzaam zwijgen doet wonderen. Maak ze nieuwsgierig Frans. Een ontdekkingstocht, dat is wat ze willen. Leer mij ze kennen. Nou succes vanavond!’

Erbij horen

‘Ga bij de padvinderij’, zei mijn moeder, ‘dan hoor je ergens bij.’ Ik was elf en mijn moeder wilde dat ik ergens bij hoorde. Ze vond dat je altijd ergens bij moest horen. Het liefste bij iets waar andere mensen ook bij hoorden.

Ik ging bij de padvinderij. Drie maanden later zei hopman Theo dat ik een waardeloze padvinder was en ik kreeg een briefje mee voor mijn moeder: Frans is een slechte padvinder. Hij is hier niet meer welkom, met vriendelijke groeten, de hopman. Einde padvinderij.

Het was ook niks die padvinderij. Alleen die hopman al: een vijftigjarige die twee keer per week in een korte manchester broek met 20 jonge knapen de natuur in trekt om te hoppen, want dat doen hopmannen. Ik wilde daar niet bij horen.

Sindsdien hoor ik nergens bij en dat zal zo wel blijven. Eenzaam? Alleen?  Arthur Schoppenhauer begreep het: in eenzaamheid is het aangenaam leven; je verkeert altijd in prettig gezelschap.

Aantekening Oostende: Vlees

Oostendenaren houden van dansen. Ze zijn er gek op en: ze kunnen het! Fluit op straat achteloos een vrolijk deuntje en je hebt meteen een polonaise aan je broek hangen. Hupakee, op naar de staminee.

Echt populair is het stijldansen: foxtrot, tango, een walsje, van dat gedoe. Aan los-dansen doen ze niet, dat is voor jong grut. Wanneer je 18 bent dans je vast, dan dans je met vlees in je armen. Trouwens: vlees! Daar houden ze ook van. Ze zijn er gek op.

Strand

‘Smeer je in’, zegt mijn vriendin, ‘de zon is venijnig.’ We smeren me in, ik de voorkant, zij doet de achterkant. We smeren factor 36. Met factor 36 verlaat je het strand blanker dan toen je er heen ging.

Insmeren is een ritueel, een strandritueel, maar vandaag is het zinloos, want ik ben niet van plan ook maar één moment onder de ad €4,- gehuurde parasol vandaan te komen. 

Naast ons ligt een echte strandgast, een zonaanbidder. Open en bloot, geen parasol, geen factor 36, alleen een minimaal Speedo zwembroekje op een minimaal strandlakentje. Less is more.

Zo klein de zwembroek zo oversized is het bruine lijf dat strak bijeengehouden wordt door de zongelooide huid. Het ademt, het beweegt en draait traag van rug naar buik, van buik naar rug. Kijkend vanaf de dijk zou je denken: aangespoeld, Lenie van ’t Hart bellen!

Dan staat de badgast op. Hij ploegt zich door het mulle zand naar de zee en even voorbij de branding dobbert hij langzaam weg van het strand. Ik denk aan het zee-monument boven aan de dijk: ‘De zee geeft, de zee neemt’, staat er geschreven.