‘Smeer je in’, zegt mijn vriendin, ‘de zon is venijnig.’ We smeren me in, ik de voorkant, zij doet de achterkant. We smeren factor 36. Met factor 36 verlaat je het strand blanker dan toen je er heen ging.

Insmeren is een ritueel, een strandritueel, maar vandaag is het zinloos, want ik ben niet van plan ook maar één moment onder de ad €4,- gehuurde parasol vandaan te komen. 

Naast ons ligt een echte strandgast, een zonaanbidder. Open en bloot, geen parasol, geen factor 36, alleen een minimaal Speedo zwembroekje op een minimaal strandlakentje. Less is more.

Zo klein de zwembroek zo oversized is het bruine lijf dat strak bijeengehouden wordt door de zongelooide huid. Het ademt, het beweegt en draait traag van rug naar buik, van buik naar rug. Kijkend vanaf de dijk zou je denken: aangespoeld, Lenie van ’t Hart bellen!

Dan staat de badgast op. Hij ploegt zich door het mulle zand naar de zee en even voorbij de branding dobbert hij langzaam weg van het strand. Ik denk aan het zee-monument boven aan de dijk: ‘De zee geeft, de zee neemt’, staat er geschreven.