Vreemdeling aan zee

Hij is een vreemdeling aan zee. Niemand die het ziet, maar ze horen het. ‘Ah, U bent niet van hier’, zegt de bakker, de ober, de brandweerman. Het klopt, hij is niet van hier; dialecten zijn meedogenloos.

De eigenaar van de Overhemdenshop aan de Vlaanderenstraat hoort het ook, maar die is ook niet van hier. ‘Kan dat’, vraag hij de man, ‘vreemdeling aan zee en je er toch thuis voelen?’

‘Volgens die van hier kan dat niet’, antwoordt de man. ‘Die van hier zijn en blijven op hun eigen. U kunt zich thuis voelen zo veel u wilt, maar u zult er nooit bij horen. En zij gelukkig ook niet bij ons’, komt er zachtjes achteraan. 

Handel over te nemen, staat er op het bord in de etalage.

De houtduif

Mijn gevoelens voor de houtduif zijn ambivalent. Ik heb een haat-liefde-verhouding met de vogel. Liefde is misschien iets teveel gezegd. Mijn liefde voor de rosé gebakken borst van een stevige houtduivin is meer lust dan liefde. Mijn haat daarentegen is oprecht en richt zich in het bijzonder op één bepaalde houtduif.

Ik voel blinde vernietigingsdrang opkomen wanneer dit beest bij het krieken van de dag ons balkon opvliegt en koerend op de balkonkast een vrijer probeert te lokken. Wanneer ik vervolgens woedend het gordijn openschuif vliegt ze lafhartig weg nog voor ik haar de nek kan omdraaien. Intussen heeft ze wel de kast ondergescheten.

De houtduif is eigenlijk alleen geschikt om op te eten, meer verdiensten heeft het beest niet. Zijn familielid de stadsduif ruimt links en rechts nog wat rotzooi op en de postduif weet ook wat hem te doen staat. De houtduif koert, lokt vrijers, schijt balkons onder en gaat dood. Een enkele pechvogel wordt vroegtijdig afgeschoten en eindigt op een bordje tussen romige kastanjepuree en wat beetgare spruitjes. Geen heroïsch einde, maar meer zit er voor een houtduif niet in.

Afgestompt

Vanaf het balkon kijk ik naar de zee. Geen rimpel te bekennen. Er is een warme dag voorspeld. Misschien wordt het wel de warmste dag sinds 2018 of 1972 of 1800, wie weet misschien wel sinds 443 v.Chr. Onder mijn balkon slepen gemondkapte badgasten hun strandmeubilair, opgeblazen krokodillen en pinguïns door de straat. Ze zijn op weg naar het beloofde strand, naar de beste plaatsen aan de vloedlijn, loge balkon. Bij haar restaurantje aan de overkant zet Jisjenka het terras uit. 

Ondertussen lees ik dat een Lange Frans premier Rutte wil omleggen, een wielrenner met een verbrijzeld hoofd het goed maakt, een hittegolf slopend is voor studenten en dat Corona de moslimgemeenschap het beroerdste offerfeest heeft opgeleverd sinds het overlijden van Mohammed: ze mochten niet bij het slachten van de schapen aanwezig zijn. Oh ja, en de ingekorte Merwedebrug is weer open.

Ik lees de berichten zoals ik mijn tanden poets: gedachteloos en routineus. Aangrijpende en dramatische gebeurtenissen reduceer ik tot vanzelfsprekende voorvallen, toevallige incidenten of eigen schuld dikke bult gevallen. Wat nog overblijft valt in de categorie het-zal-me-worst-wezen. Ik lijd aan nieuwsmoeheid. Een gevolg van een teveel. Je kunt het ook afstomping noemen.

Er verschijnt een alert op mijn iPad; ‘RIVM heeft hitteplan in werking gesteld.’ Het plan dicteert: Geen inspanning! Blijf binnen! Drink voldoende! Let extra op de mensen in je omgeving!

Ik let nog eens extra op bezwete strandgangers beneden mij die op doortocht zijn naar het beloofde strand. De stoet is nog in beweging, er is niemand bezweken, niemand vertrapt. Slechts één leeggelopen pinguïn ligt voor dood in de goot.

Inmiddels is het twaalf uur, hoogste tijd om voldoende te gaan drinken, volgens het RIVM.

Oostende (2)

De garnaalkroketjes van madame Kroket zijn fameus, zo ook de vissoep van mevrouw Poseidon en de schotels van traiteur meneer Burggraeve. Wie hier fatsoenlijk wil inburgeren kan niet om ze heen. Trouwens ook niet om: Het Vispaleis, Patisserie Caruso en onze buurman: ‘Patrick Boudengen, Voor al uw groenten en fruit’.

Dankzij deze Oostendse culinaire geneugten kunnen we inmiddels de broekriem niet meer aanhalen en maken we iedere ochtend een afvalwandeling. Anderhalf uur, vaste route, stevige pas.

We wandelen in de voetsporen van Leopold II, de koning der Belgen die Congo tot zijn persoonlijke bezit mocht rekenen, een land dat hij overigens nooit heeft bezocht. Dit in tegenstelling tot Oostende waar hij niet was weg te branden.

Onze wandeling begint bij het Leopold II-monument:

De koning zit hoog te paard en kijkt uit over de Noordzee. Onder hem aan de linkerzijde kijken naakte Congolezen in goddelijke bewondering en met dankbaarheid naar hem op. Dankbaar omdat hij ze heeft bevrijd uit de handen van Arabische slavenhandelaren (zo kon het dus ook). Aan de rechterkant staat een groepje Oostendse vissermannen en vrouwen, ze kijken even bewonderend en dankbaar voor alles wat hij voor Oostende heeft gedaan. Wat zou Congo zijn geweest zonder Leopold II, vragen we ons af, om over Oostende maar te zwijgen.

In 2004 heeft een vroege BLM-beeldenstormer de hand van een van de Congolezen afgehakt. Een protest tegen de verheerlijking van deze Leopold en het wrede regime waarbij het afhakken van handen een populaire straf was. Op een extra info-bordje informeert de gemeente ons over de minder frisse kant van Leopolds bewind.

Zo wandelen we iedere ochtend langs de Koning der Belgen, de Beul van Congo en jawel: de Pedofiel voor wie hem de gelegenheid bood. Over die laatste hobby van de koning staat niets op het gemeentelijk bordje, noch is er iets geamputeerd. Kwestie van tijd, denken we.