Lag Brabant aan zee, de Brabanders zouden vis eten. Misschien zouden ze zelfs de kost verdienen als visserman en samen met hun vissersvrouw op zondag met een gek hoedje op het hoofd, respectievelijk een gesteven kapje met gouden achteruitkijkspiegels, ter kerke gaan. Op pleinen en dijken zouden eenzame Kniertjes regelmatig bloemen leggen bij een in brons gegoten anker met: ‘VOOR HEN DIE OP ZEE ZIJN GEBLEVEN’

Maar Brabant ligt niet aan zee en Brabanders zijn geen visserman of vissersvrouw. Het zijn boeren, burgers of buitenlui. Geen gekante mutsjes of kapjes met gouden spiegels, maar grauwe petten en soms nog een vergeelde poffer. Geen gedenktekens voor hen die op zee zijn gebleven. (Brabanders bleven en blijven overal, behalve op zee). Wel staan er links en rechts beelden van fabrikanten, koeien en varkens. Het zijn de monumenten  voor hen die Brabant groot maakten. Nooit legt iemand er bloemen neer.

En bovenal: Brabanders houden niet van vis, het zijn vleeseters. Zult, bloedworst, grijze balkenbrij, worstenbrood, dat soort dingen. Doe er een geprakte aardappel bij et voilĂ : de Brabantse keuken. Niet verfijnd, maar stevige winterkost. Lang geleden moet het in Brabant altijd winter zijn geweest.