Ik keek naar het 8-uur journaal. Een van de onderwerpen was het van hogerhand afgekondigde vuurwerkverbod. In tijden van Corona raak je gewend aan richtlijnen, verzoeken, aanwijzingen, geboden en verboden. Allemaal uitgevaardigd en opgelegd met het oog op ons aller welzijn en welbehagen.

Een vriendelijk verzoek aan de vuurwerkkongsi om het dit jaar bij een sterretje te laten zal het wel niet halen, moet minister van Sier&Knal F. Grapperhaus gedacht hebben. Dan maar een verbod.

De verslaggever van het achtuurjournaal had een echte vuurwerkliefhebber weten te vinden. Voor de camera mocht de man leeglopen over dat verbod. Het was een gewone man, een heel gewone man, zeg maar gerust: ‘Dė gewone man’. En de gewone man was duidelijk. Dat hele vuurverbod was zwaar kloten. ‘Oud en nieuw zonder vuurwerk is geen oud en nieuw’, zei hij. Daarbij hadden ze hem al alles afgepakt en nu daar ook nog dat vuurwerk bijkwam pikte hij het niet langer.

Vanuit het trapportaal riep zijn vrouw (een héél gewone vrouw) dat het allemaal oplichters en zakkenvullers waren in Den Haag en dat dit geen leven was. Met zijn tweeën tierden ze nog even door terwijl de camera uitzoomde. 

Ik vroeg me af wat ‘Den Haag’ deze gewone mensen had afgenomen. Zo kwaad kun je toch niet zijn om een afgepakt rotje of gillende keukenmeid, leek me. De ongure hond die de man aan de lijn hield was het in ieder geval niet en de dame in het trapportaal ook niet. Was het misschien zijn werk? Zijn uitkering? Zijn vaste biljartavond? Waren ze uit de ouderlijke macht gezet? Was het rijbewijs ingevorderd? Mochten ze niet meer rood staan bij de bank? Het bleef gissen.

Maar wat ze zich niet hadden laten afpakken was hun slachtofferrol. Die zouden ze zich nooit laten afnemen.