Erbij horen

‘Ga bij de padvinderij’, zei mijn moeder, ‘dan hoor je ergens bij.’ Ik was elf en mijn moeder wilde dat ik ergens bij hoorde. Ze vond dat je altijd ergens bij moest horen. Het liefste bij iets waar andere mensen ook bij hoorden.

Ik ging bij de padvinderij. Drie maanden later zei hopman Theo dat ik een waardeloze padvinder was en ik kreeg een briefje mee voor mijn moeder: Frans is een slechte padvinder. Hij is hier niet meer welkom, met vriendelijke groeten, de hopman. Einde padvinderij.

Het was ook niks die padvinderij. Alleen die hopman al: een vijftigjarige die twee keer per week in een korte manchester broek met 20 jonge knapen de natuur in trekt om te hoppen, want dat doen hopmannen. Ik wilde daar niet bij horen.

Sindsdien hoor ik nergens bij en dat zal zo wel blijven. Eenzaam? Alleen?  Arthur Schoppenhauer begreep het: in eenzaamheid is het aangenaam leven; je verkeert altijd in prettig gezelschap.